Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
15 april 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 23 maart 2010 in Amsterdam ter voorbereiding van een misdrijf, te weten diefstal met geweld en/of afpersing, diverse voorwerpen zoals ploertendoders, traangas, een koevoet, kogelwerende vesten en bivakmutsen opzettelijk voorhanden had gehad. Het hof achtte dit bewezen op basis van onder meer verklaringen van verbalisanten, aangetroffen goederen in de auto van de verdachte, en getuigenverklaringen van winkelpersoneel die bevestigden dat verdachte enkele van deze voorwerpen had gekocht.
Het hof motiveerde dat de combinatie van deze voorwerpen en het ontbreken van een redelijke verklaring van verdachte voldoende bewijs vormde dat de voorwerpen bestemd waren voor het plegen van diefstal met geweld en/of afpersing. De verdachte had verklaard zijn spullen in de auto te willen behouden, maar maakte geen onderscheid tussen de aangetroffen goederen.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof onvoldoende had gemotiveerd welk specifiek misdadig doel de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had. Het enkel aantreffen van de voorwerpen en het feit dat verdachte ze opzettelijk voorhanden had, volstond niet om dat doel zonder meer aan te nemen. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
De overige onderdelen van het beroep werden verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 15 april 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering omtrent het misdadig doel en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.