Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
15 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter te Almelo, waarbij de aanvraagster was veroordeeld voor diefstal tot een voorwaardelijke werkstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.
De aanvraag tot herziening werd ingediend op grond van het bestaan van een posttraumatische stressstoornis en een obsessieve compulsieve stoornis, waarvan werd gesteld dat deze het bewezenverklaarde feit zouden verklaren en niet bekend waren bij de rechter tijdens het oorspronkelijke proces.
De Hoge Raad oordeelde echter dat deze stoornissen reeds bekend waren bij de politierechter, aangezien een brief van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en een psychiater uit 2009 was overgelegd tijdens de terechtzitting. Hierdoor was er geen sprake van een nieuw feit dat tot herziening kon leiden.
De aanvraag werd daarom als kennelijk ongegrond verworpen en het verzoek tot benoeming van een deskundige werd eveneens afgewezen. De Hoge Raad bevestigde hiermee de oorspronkelijke veroordeling en wees de herzieningsaanvraag af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens het ontbreken van nieuwe feiten die het oorspronkelijke vonnis zouden kunnen beïnvloeden.