Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin een schadevergoedingsvordering van de benadeelde partij werd toegewezen. Verdachte werd bewezenverklaard voor het witwassen van een geldbedrag van €9.500, afkomstig uit een diefstal van €30.000 van de rekening van de benadeelde partij.
De benadeelde partij, inmiddels overleden, werd vertegenwoordigd door een gemachtigde die de vordering handhaafde. Het hof oordeelde dat het witwassen en de diefstal in zodanig nauw verband stonden dat het witwassen rechtstreeks de schade veroorzaakte. Hoewel verdachte slechts een deel van het geld verwierf, kon hij verantwoordelijk worden gehouden voor de volledige schade, omdat hij over het gehele bedrag kon beschikken en een ander als katvanger gebruikte.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de schadevergoeding beperkt moest blijven tot het bedrag dat verdachte daadwerkelijk had verworven. De Hoge Raad benadrukte dat hier art. 36f Sr van toepassing is en dat het hof voldoende en begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag. Het beroep werd derhalve verworpen en de vordering tot schadevergoeding van €27.371,24 werd bevestigd.
Uitkomst: Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding van €27.371,24 aan benadeelde partij.