Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
22 april 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een politieambtenaar door in diens rechterwijsvinger te bijten, wat leidde tot een breuk en verwondingen. Het Hof Den Haag verklaarde dit feit bewezen op basis van medische rapporten en de toelichting van de benadeelde partij tijdens de terechtzitting in hoger beroep.
De benadeelde partij had tijdens de zitting een toelichting gegeven op zijn vordering tot schadevergoeding, maar trad daarbij niet op als getuige en legde geen verklaring onder ede af. De Hoge Raad oordeelde dat de benadeelde partij bij gebruikmaking van de bevoegdheid uit art. 334 lid 3 Sv Pro niet als getuige optreedt, waardoor haar verklaring niet als bewijs kan worden gebruikt voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof voor zover het betrekking had op het bewezen verklaren van het feit, de strafoplegging en de schadevergoedingsvordering, en verwees de zaak terug naar het Hof Den Haag voor hernieuwde behandeling. Het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het Hof werd vernietigd wegens onrechtmatig gebruik van de verklaring van de benadeelde partij als bewijs, en de zaak werd terugverwezen voor hernieuwde behandeling.