Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Maastricht,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
17 april 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Limburg inzake de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz). De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, maar de Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten beoordeeld en geoordeeld dat betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Dit oordeel is mede gebaseerd op het standpunt van de Procureur-Generaal.
Daarom heeft de Hoge Raad, na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking is op 17 april 2015 in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot, namens de raadsheren C.A. Streefkerk (voorzitter), C.E. Drion en T.H. Tanja-van den Broek.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.