Belanghebbende, een ondernemer in onroerende zaken, bereikte in oktober 2008 overeenstemming over de bouw van een bedrijfspand met [H]. [H] reikte een bescheid uit met een aanneemsom en omzetbelasting, nog vóór aanvang van de werkzaamheden. Belanghebbende bracht deze omzetbelasting in aftrek bij de aangifte over het vierde kwartaal van 2008. De Inspecteur stelde dat het bescheid geen factuur was en legde een naheffingsaanslag en boete op.
Het hof oordeelde dat in het vierde kwartaal 2008 geen omzetbelasting verschuldigd was, omdat de prestatie nog niet was verricht en er geen vooruitbetalingen waren gedaan. Het hof verwierp het beroep op het besluit van de staatssecretaris dat regels geeft over naheffing bij onterechte vermelding van omzetbelasting.
De Hoge Raad stelt dat de Wet OB niet verbiedt dat een factuur wordt uitgereikt vóór de prestatie en dat het bescheid mogelijk als factuur moet worden aangemerkt. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het hof voor nader onderzoek of het bescheid als factuur kan worden gezien en of de naheffing terecht is opgelegd, met inachtneming van het besluit van de staatssecretaris.
De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.