Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
21 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor het zonder vergunning aanbieden en verrichten van diensten als effectenbemiddelaar in de periode september 2003 tot augustus 2004.
Het hof stelde vast dat de verdachte namens een onderneming, aangeduid als [B], termijncontracten ('shares') aanbood die recht gaven op rendement van een investeringsmaatschappij [A]. Ondanks dat niet kon worden vastgesteld dat het fonds en de investeringsmaatschappij daadwerkelijk bestonden, kwalificeerde het hof het handelen van de verdachte als effectenbemiddeling op grond van artikel 7 Wte Pro 1995.
De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk was, en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad benadrukte dat het ontbreken van een vergunning en het feit dat de 'shares' niet daadwerkelijk waardepapieren waren, niet afdoet aan de kwalificatie van de gedragingen als effectenbemiddeling. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor het zonder vergunning aanbieden en verrichten van diensten als effectenbemiddelaar.