Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
21 april 2015.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Namens de verdachte diende mr. B.P.M. Canoy een schriftuur in. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in aanwezigheid van de waarnemend griffier J.D.M. Hart. Dit arrest bevestigt de strikte toepassing van artikel 80a RO bij de ontvankelijkheidstoets van cassatieberoepen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.