Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
8 mei 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verzoeker verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De zaak betreft de uitleg en toepassing van artikel 288 lid 1 onder Pro b van de Faillissementswet, waarin de eis van goede trouw centraal staat.
Het geding in feitelijke instanties bestond uit een vonnis van de rechtbank Amsterdam en een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarbij laatstgenoemde het verzoek van verzoeker afwees. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, hetgeen de Hoge Raad volgde.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens werd de betekenis van de termijn in artikel 288 Faillissementswet Pro en de hardheidsclausule in lid 3 van dat artikel bevestigd.
Het arrest werd op 8 mei 2015 gewezen door de raadsheren van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer De Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw.