Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
12 mei 2015.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam in een strafzaak. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was.
Ambtshalve constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Ondanks deze termijnoverschrijding werd geen straf of maatregel opgelegd aan de verdachte.
Gezien het ontbreken van een opgelegde straf zag de Hoge Raad geen aanleiding om rechtsgevolgen te verbinden aan de termijnoverschrijding en volstond met de constatering. Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 12 mei 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen ondanks de overschrijding van de redelijke termijn.