Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
1 maart 2015 vervallen – Richtlijn hield immers het volgende in:
4.Beslissing
12 mei 2015.
Hoge Raad
De aanvrager werd door de Politierechter veroordeeld tot een werkstraf van 25 uren, subsidiair 12 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, wegens het op 22 januari 2013 aanwezig hebben van ongeveer 9 kilogram qat.
De aanvraag tot herziening berustte op een krantenbericht waarin werd gesteld dat het Openbaar Ministerie het bezit van kleine hoeveelheden qat zou gedogen. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijk krantenbericht geen ernstig vermoeden wekt dat het onderzoek anders had moeten verlopen, zeker niet voor de aanmerkelijke hoeveelheid qat die in deze zaak speelde.
Daarnaast werd een beroep gedaan op een richtlijn van het Openbaar Ministerie die op 1 februari 2014 in werking trad en per 1 maart 2015 verviel. Deze richtlijn bepaalde dat voor first offenders bij geringe hoeveelheden qat in beginsel niet strafrechtelijk wordt opgetreden. De Hoge Raad stelde dat deze richtlijn niet van toepassing is op het feit gepleegd vóór de inwerkingtreding en dat het bezit van circa 9 kilogram qat niet als geringe hoeveelheid kan worden aangemerkt.
Op grond van deze overwegingen verklaarde de Hoge Raad de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond en wees deze af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt de veroordeling voor bezit van circa 9 kilogram qat.