ECLI:NL:HR:2015:1237

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2015
Publicatiedatum
12 mei 2015
Zaaknummer
13/02326
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij mishandeling

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van mishandeling. Het bewezenverklaarde omvatte het opzettelijk stompen, slaan, haren trekken en schoppen van het slachtoffer, waarbij letsel en pijn werden toegebracht.

De Hoge Raad verduidelijkt dat mishandeling in de zin van art. 300 Sr Pro niet alleen het toebrengen van lichamelijk letsel of pijn omvat, maar ook het veroorzaken van hevige onlustgevoelens aan het lichaam zonder rechtvaardigingsgrond. De verdediging stelde dat de bewezenverklaring expliciet het wederrechtelijke karakter moest vermelden, maar dit werd verworpen.

Ten aanzien van de procedure werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, waardoor de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf van 268 dagen, waarvan 180 voorwaardelijk, heeft verminderd tot 261 dagen met een proeftijd van twee jaar.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd het hofarrest in stand gelaten met een aangepaste strafmaat.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 261 dagen waarvan 180 voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

12 mei 2015
Strafkamer
nr. 13/02326
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 februari 2013, nummer 22/002131-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1.Geding in cassatie

1.1.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
1.2.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133, geoordeeld dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden en dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich uit te laten over het tweede middel.
1.3.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het tweede middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als 'medeplegen van mishandeling'.
2.2.1.
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"zij op 21 augustus 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon te weten [betrokkene 1]
- meermalen in het gezicht en tegen het hoofd heeft gestompt en geslagen en
- meermalen aan de haren heeft getrokken en
- meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt terwijl [betrokkene 1] op de grond lag, waardoor voornoemde [betrokkene 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."
2.2.2.
Het Hof heeft het bewezenverklaarde onder aanhaling van art. 300 Sr Pro gekwalificeerd als "medeplegen van mishandeling".
2.3.
Onder 'mishandeling' in de zin van art. 300 Sr Pro moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn alsmede - onder omstandigheden - het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. (Vlg. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402.)
2.4.
Het middel steunt op de opvatting dat voor de kwalificatie 'mishandeling' is vereist dat in de bewezenverklaring overeenkomstig de tenlastelegging met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht dat het toebrengen van pijn, letsel of onlustgevoelens 'mishandelend' of 'wederrechtelijk' is geschied. Die opvatting is echter niet juist.
2.5.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 268 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk.

4.Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze 261 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 mei 2015.