Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
19 mei 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij. De betrokkene werd geconfronteerd met een schatting van het voordeel gebaseerd op 157 hennepplanten verdeeld over een kweekruimte van 7 m2, waarbij het Hof uitging van 20 planten per m2 en een opbrengst van 25,7 gram per plant. Dit leidde tot een berekend voordeel van circa € 11.856.
Het middel klaagde terecht dat de berekening van het aantal planten per vierkante meter onjuist was; het correcte aantal was 22,4 planten per m2. Dit zou een lagere opbrengst van 3,8 kg en een geschat voordeel van € 11.415 opleveren. Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat dit verschil niet tot cassatie hoeft te leiden, mede omdat het Hof het bedrag voor ontneming op € 10.000 had vastgesteld, inclusief een korting wegens overschrijding van de redelijke termijn volgens art. 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad concludeerde dat de betrokkene geen rechtens te respecteren belang had bij vernietiging van het vonnis. Het cassatieberoep werd verworpen en de ontnemingsmaatregel bleef in stand. De uitspraak benadrukt het belang van een redelijke termijn en de mate van afwijking in de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontnemingsmaatregel van € 10.000.