Belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van een Belgische BVBA, maakte bezwaar tegen inhouding van loonheffingen over 2010. De BVBA had bedragen overgemaakt aan de Belastingdienst die gelijk waren aan het bruto jaarloon van belanghebbende. Het hof oordeelde dat het bedrag via de aandelen terugvloeit naar belanghebbende en weigerde een tweede terugbetaling.
De Hoge Raad stelde vast dat de BVBA niet heeft beoogd loonheffingen in te houden, maar slechts een zo hoog mogelijk bedrag aan de Belastingdienst overmaakte om naheffingsaanslagen te voorkomen. Hierdoor was er geen sprake van inhouding in de zin van de Wet LB 1964.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en verklaarde het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk. Tevens werd belanghebbende schadeloos gesteld voor de betaalde griffierechten. Hiermee werd bevestigd dat de terugbetaling aan de BVBA terecht was en niet aan belanghebbende zelf behoorde te worden gedaan.