Op 5 februari 2013, de laatste dag van de appeltermijn, werd een bijzondere schriftelijke volmacht voor het instellen van hoger beroep namens verdachte bij de griffie van de rechtbank ingediend. De griffiemedewerker stelde aanvankelijk dat de ondertekening 'p/o mr. C. Maat' onvoldoende zekerheid bood dat de volmacht van de advocaat afkomstig was, waarna op 6 februari 2013 een door de advocaat zelf ondertekende volmacht werd ingediend.
Het Hof Amsterdam verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het hoger beroep volgens het Hof pas op 7 februari 2013 was ingesteld, nadat de volmacht op 6 februari 2013 was ontvangen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het oordeel van het Hof niet begrijpelijk is, omdat de volmacht van 5 februari 2013 wel degelijk tijdig was ingediend en door een confraternele collega van de advocaat was ondertekend, waardoor geen onzekerheid bestond over de geldigheid.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en verwees de zaak terug voor hernieuwde behandeling. De zaak betreft een cassatieberoep tegen een verstekvonnis van de politierechter wegens niet verschijnen van verdachte.