Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beslissing
27 januari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor mishandeling van de benadeelde partij. De mishandeling bestond uit het duwen tegen de rug en het slaan met de vuist tegen het gezicht, waardoor de benadeelde letsel opliep en pijn ondervond.
De benadeelde partij vorderde vergoeding van immateriële en materiële schade, waaronder de reparatie van haar fiets die zij had laten vallen toen verdachte haar aanviel. Het hof stelde vast dat de schade aan de fiets rechtstreeks verband hield met de mishandeling en wees de vordering toe.
Het cassatiemiddel betrof de klacht dat het hof onjuist had geoordeeld over het verband tussen de mishandeling en de schade aan de fiets. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de schadevergoeding aan de benadeelde partij in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd, waarbij de schadevergoeding aan de benadeelde partij wordt toegewezen.