Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
6.Beslissing
26 mei 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het bezit van een vuurwapen, munitie en pepperspray op Schiphol. Het hof had bewezenverklaard dat verdachte deze wapens tezamen met een ander in vereniging had voorhanden gehad. Verdachte had ter terechtzitting in eerste aanleg een verklaring afgelegd waarin hij toegaf dat het wapen en de pepperspray in zijn auto lagen, achtergelaten door een onbekende persoon aan wie hij een lift had gegeven.
De verdediging voerde aan dat de verklaring van verdachte niet alle onderdelen van de bewezenverklaring bevatte en daarom niet als bekennende verklaring kon worden aangemerkt. De Hoge Raad herhaalt echter dat het ontbreken van expliciete erkenning van elk onderdeel niet uitsluit dat sprake is van een bekennende verklaring, zeker indien de verdachte de tenlastelegging niet heeft bestreden en alleen de strafmaat aanvecht.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het bewezenverklaarde terecht heeft aangenomen op basis van de verklaring van verdachte en de procesopstelling in hoger beroep. Wel acht de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf met vier maanden moet worden verminderd.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze tot drie maanden en drie weken. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot drie maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.