Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
27 januari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een bijna-aanvaring op 22 februari 2010 tussen een onder Duitse vlag varend vissersschip en een Nederlands boorplatform op het Nederlands deel van het Continentaal Plat, buiten de Nederlandse territoriale wateren. De verdachte werd beschuldigd van het niet nemen van alle voorzorgsmaatregelen om een aanvaring te voorkomen, in strijd met de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee.
Het hof had de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de overtreding buiten de Nederlandse territoriale zee had plaatsgevonden en de Nederlandse strafwet op grond van het Besluit toepassingverklaring Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee alleen geldt binnen die territoriale zee. De verdachte beriep zich op de Wet installaties Noordzee die strafrechtelijke rechtsmacht verleent op het Nederlands deel van het Continentaal Plat, maar het hof oordeelde dat deze wet niet van toepassing is op overtredingen door vreemde schepen buiten de territoriale zee.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie. De rechtsmacht van Nederland strekt zich niet uit tot strafbare feiten gepleegd door vreemde schepen op het Nederlands deel van de volle zee, ook al betreft het het Continentaal Plat. Hierdoor blijft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging voor het ten laste gelegde feit.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse strafrechtelijke rechtsmacht niet geldt voor overtredingen door een vreemd schip op het Nederlands deel van het Continentaal Plat buiten de territoriale wateren.