Belanghebbende, een ondernemer, had een overeenkomst gesloten met [G] Holding B.V. voor het gebruik van een merknaam tegen betaling in termijnen. Hoewel een factuur inclusief omzetbelasting was uitgereikt en de omzetbelasting was voldaan, bleef een deel van de vergoeding onbetaald. Belanghebbende stelde dat zij afstand had gedaan van het vorderen van het niet-betaalde deel en vroeg teruggaaf van de omzetbelasting.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de overeenkomst rechtsgeldig was beëindigd of dat zij een prijsvermindering had verleend en wees het verzoek af. De Hoge Raad stelt dat het enkele uitreiken van een creditfactuur niet voldoende is om teruggaaf op grond van artikel 29, lid 1, letter a, van de Wet OB te weigeren.
De Hoge Raad verduidelijkt dat teruggaaf mogelijk is indien de ondernemer aannemelijk maakt dat de vergoeding niet en niet zal worden ontvangen, ook zonder ontbinding van de overeenkomst of prijsvermindering. Het arrest vernietigt het Hofarrest en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar het Hof ’s-Hertogenbosch, waarbij moet worden vastgesteld of belanghebbende daadwerkelijk afstand heeft gedaan van haar vordering en de vergoeding niet meer zal ontvangen.
De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieberoep en moet het betaalde griffierecht vergoeden.