Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
3 februari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte met Roemeense nationaliteit die verstek liet gaan in hoger beroep. Het hof had het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder te onderzoeken of aan de vereisten van artikel 260, vijfde lid, Sv was voldaan, namelijk het verstrekken van een schriftelijke vertaling van de appeldagvaarding in een voor de verdachte begrijpelijke taal.
De Hoge Raad stelt vast dat verdachte vermoedelijk de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, mede gelet op de oproeping van een tolk in het Roemeens. Uit de stukken blijkt niet dat een schriftelijke vertaling van de essentie van de appeldagvaarding was verstrekt. Dit is in strijd met artikel 260, vijfde lid, Sv.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof had moeten onderzoeken of het onderzoek ter terechtzitting geschorst moest worden om dit verzuim te herstellen, zodat verdachte zijn verdediging kon voorbereiden en zijn proceshouding bepalen. Het ontbreken van een dergelijk onderzoek leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de daarop gebaseerde uitspraak.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing in hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een vereiste vertaling, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.