Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
2 juni 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens het opzettelijk voordeel trekken uit door misdrijf verkregen uitkeringsgelden van zijn partner, met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van buurtbewoners, sociaal rechercheurs en onderzoek naar woonsituatie en uitkeringsgegevens.
De Hoge Raad oordeelt dat hoewel vaststaat dat verdachte en zijn partner samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden, uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat verdachte wist van de onjuiste inlichtingenverstrekking door zijn partner en dat het geld door misdrijf was verkregen. Daarmee ontbreekt het bewijs voor het opzettelijk voordeel trekken.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk voordeel en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.