ECLI:NL:HR:2015:147

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2015
Publicatiedatum
29 januari 2015
Zaaknummer
14/01954
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling matiging immateriële schadevergoeding bij gezamenlijk behandelde belastingzaken

Deze zaak betreft het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam over navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd aan belanghebbende, een rechtspersoon, en de directeur-grootaandeelhouder (dga). Het geschil draait om de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.

Het Hof kende een schadevergoeding toe aan zowel belanghebbende als de dga, gebaseerd op het normbedrag van € 500 per halfjaar, voor gezamenlijk behandelde zaken die inhoudelijk sterk verwant zijn en betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex over vijf jaren. De Staatssecretaris stelde dat slechts één vergoeding aan de dga toereikend zou zijn, omdat de spanning en frustratie van de rechtspersoon feitelijk door de dga wordt ondervonden.

De Hoge Raad oordeelt dat iedere belanghebbende, ook een rechtspersoon, een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft. Bij gezamenlijk behandelde zaken die in hoofdzaak op hetzelfde feitencomplex betrekking hebben, kan worden volstaan met toekenning van een vergoeding in één of enkele zaken, maar het achterwege laten van vergoeding aan de rechtspersoon is onjuist. De middelen van beide partijen worden ongegrond verklaard en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en bevestigt dat zowel de rechtspersoon als de dga recht hebben op immateriële schadevergoeding bij gezamenlijk behandelde zaken.

Uitspraak

30 januari 2015
nr. 14/01954
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X1] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 6 maart 2014, nrs. 12/00498 en 12/00499, betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting, de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2012, nr. 11/00554, ECLI:NL:HR:2012:BW9866, BNB 2012/250, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

4.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade, omdat in de bezwaarfase de redelijke termijn is overschreden. Het Hof is bij de vaststelling van het bedrag van de schadevergoeding uitgegaan van het normbedrag van € 500 per halfjaar, zoals genoemd in onder meer het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECL1:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, en heeft deze schadevergoeding toegekend voor een aantal door het Hof gezamenlijk behandelde zaken van belanghebbende. Het Hof heeft een soortgelijke schadevergoeding toegekend voor een aantal door het Hof gezamenlijk behandelde zaken van de directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende (hierna: de dga). Het middel betoogt, kort gezegd, dat het Hof had moeten volstaan met één schadevergoeding, en wel voor de dga, omdat de door een rechtspersoon als belanghebbende ondervonden spanning en frustratie feitelijk wordt ondergaan door een van de organen van die rechtspersoon, in het onderhavige geval de dga, en daarom samenvalt met de door de dga ondervonden spanning en frustratie.
4.2.
Bij de beantwoording van de vraag in hoeverre recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn dient in een geval als het onderhavige, waarin verscheidene zaken van een belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117). Voorts kan het feit dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voert of zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld een dermate matigende invloed hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen (in dezelfde zin onder meer CBB 24 juni 2014, nr. AWB 08/748 e.a., ECLI:NL:CBB:2014:234, onderscheidenlijk ABRvS 9 februari 2011, nr. 200908260/1/M2, ECLI:NL:RVS:2011:BP3701, AB 2012/107). Bij het laatste blijft voorop staan dat iedere belanghebbende bij de procedure of bij de gezamenlijk behandelde zaken een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft, ook als de belanghebbende een rechtspersoon is.
4.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat in een geval waarin de in hoofdzaak op hetzelfde feitencomplex betrekking hebbende zaken gezamenlijk zijn behandeld, kan worden volstaan met toekenning van een schadevergoeding in één of enkele zaken van dezelfde belastingplichtige, terwijl in de overige zaken wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Toetsend aan deze uitgangspunten heeft het Hof het redelijk geoordeeld om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen aan zowel belanghebbende als de dga. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de door het Hof gezamenlijk behandelde zaken, kort gezegd, betrekking hadden op geschillen betreffende de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting tussen de Inspecteur enerzijds en belanghebbende en de dga anderzijds, welke zaken inhoudelijk sterk verwant zijn doordat zij betrekking hebben op min of meer hetzelfde feitencomplex over een periode van vijf jaren.
Met deze oordelen heeft het Hof het hiervoor in 4.2 overwogene niet miskend. Onjuist is de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat in een geval als het onderhavige een schadevergoeding aan de rechtspersoon steeds achterwege dient te blijven. De oordelen kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve.

5.Proceskosten

Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 14/01956 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 980, derhalve € 490, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2015.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 493.