ECLI:NL:HR:2015:153

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2015
Publicatiedatum
29 januari 2015
Zaaknummer
14/00217
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroepen in cassatie ongegrond inzake inkomstenbelasting 2004

In deze zaak zijn zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën in cassatie gegaan tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 november 2013, waarin het hoger beroep werd behandeld over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2004.

Beide partijen hebben klachten en middelen aangevoerd, maar de Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot cassatie. De klachten van belanghebbende behoeven geen nadere motivering omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. Het door de Staatssecretaris voorgestelde middel faalt op grond van een eerder in een vergelijkbare zaak uitgesproken arrest.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart de beroepen in cassatie ongegrond. Het arrest is op 30 januari 2015 in het openbaar gewezen door de vice-president Overgaauw en raadsheren Van Vliet en Van Loon.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en bevestigt het arrest van het Gerechtshof.

Uitspraak

30 januari 2015
Nr. 14/00217
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 28 november 2013, nrs. 12/00678 en 12/00694, op het hoger beroep van belanghebbende alsmede het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 10/3592) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2004 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd onderscheidenlijk één middel voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de door belanghebbende aangevoerde klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 14/00215 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2015.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 478.