ECLI:NL:HR:2015:1538

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2015
Publicatiedatum
11 juni 2015
Zaaknummer
14/02981
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroepen in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting

Belanghebbende en de Staatssecretaris van Financiën stelden beiden beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 mei 2014. Deze uitspraak betrof navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2005 tot en met 2007, alsmede de daarbij opgelegde boetebeschikkingen.

De Hoge Raad beoordeelde de middelen die door belanghebbende en de Staatssecretaris waren voorgesteld, maar oordeelde dat deze niet tot cassatie konden leiden. Dit omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zodat nadere motivering achterwege kon blijven.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat er geen aanleiding was om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten van het cassatieberoep, terwijl de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Overgaauw als voorzitter en de raadsheren van Loon en van Kalmthout op 12 juni 2015. Tevens werd een griffierecht van € 493 geheven van de Staatssecretaris van Financiën.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten.

Uitspraak

12 juni 2015
Nr. 14/02981
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 13 mei 2014, nrs. 11/00369, 11/00370 en 11/00371, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden (nrs. AWB 10/2418, 10/2419 en 10/2420) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2005 tot en met 2007 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.

1.Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2015.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 493.