Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een beschikking inzake teruggaaf van omzetbelasting was behandeld.
De Hoge Raad overwoog dat het uitgangspunt dat belanghebbende als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 moest worden aangemerkt, onjuist was gebleken op grond van een ander arrest in een gerelateerde zaak. Hierdoor faalden de middelen van belanghebbende.
De Hoge Raad vond geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te kennen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 30 januari 2015.