ECLI:NL:HR:2015:1686

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2015
Publicatiedatum
18 juni 2015
Zaaknummer
14/00946
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:310 lid 1 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping beroep in cassatie inzake onrechtmatige overheidsdaad en verjaring

In deze zaak heeft eiser beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag dat de Staat der Nederlanden als verweerder betrof. Het geschil betreft een onrechtmatige overheidsdaad en de toepassing van verjaring op grond van artikel 3:310 lid 1 BW Pro.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de procedure voor de feitelijke instanties, waaronder het vonnis van de kantonrechter te Den Haag en het arrest van het gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad heeft de middelen van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot cassatie, mede omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep is gevolgd. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en eiser veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, met een specificatie van de verschotten en het salaris van de advocaat van de Staat.

Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens (voorzitter), Drion, Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door De Groot op 19 juni 2015.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

19 juni 2015
Eerste Kamer
14/00946
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.W. Bogaardt,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Veiligheid en Justitie en meer in het bijzonder de IND),
zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.M. van Asperen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 1174532 RL EXPL 12-14999 van de kantonrechter te Den Haag van 10 januari 2013;
b. het arrest in de zaak 200.125.333/01 van het gerechtshof Den Haag van 5 november 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 841,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
19 juni 2015.