Uitspraak
gevestigd te [plaats],
gevestigd te Rotterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 juni 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag wanneer de verjaringstermijn aanvangt voor een vordering tegen een moedermaatschappij op grond van een afgelegde 403-verklaring. Eiseres had tegen Eneco Beheer, de moedermaatschappij, een vordering ingesteld.
De procedure in feitelijke instanties bestond uit meerdere vonnissen van de rechtbank Rotterdam en een arrest van het gerechtshof Den Haag. Tegen het arrest van het hof stelde eiseres cassatie in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep, waarop eiseres reageerde.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiseres niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de verjaringstermijn begint te lopen na de afgelegde 403-verklaring door de moedermaatschappij.
Eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp, Polak en in het openbaar uitgesproken door De Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het geding.