Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
23 juni 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin zij werd veroordeeld voor het opzettelijk mishandelen van het slachtoffer door met een glas in de hand krachtig in het gezicht te duwen, wat een snijwond veroorzaakte.
Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op verklaringen van verdachte, slachtoffer en getuige, alsmede medische stukken. De verdachte had toegegeven dat zij dronken was en dat zij het slachtoffer met een wijnglas in de hand een duw gaf, waarbij het glas brak en het slachtoffer een vier centimeter lange snijwond opliep. Het hof concludeerde dat verdachte bewust was van het glas in haar hand en opzet had op de mishandeling.
De verdediging voerde aan dat sprake was van afwezigheid van opzet, omdat verdachte niet bewust was van het glas in haar hand tijdens het duwen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof dit voldoende gemotiveerd had verworpen en dat de bewezenverklaring toereikend was.
Ten aanzien van de strafoplegging stelde de Hoge Raad vast dat het hof onterecht had aangenomen dat verdachte eerder onherroepelijk was veroordeeld, omdat het Uittreksel Justitiële Documentatie dit niet ondersteunde. Hierdoor was de strafmotivering ontoereikend. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de strafoplegging betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de straf.
De rest van het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het bewezenverklaarde opzet op mishandeling stand hield.
Uitkomst: Het bewezenverklaarde opzet op mishandeling wordt bevestigd, maar de strafoplegging wordt vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.