Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
23 juni 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond een cassatieberoep centraal tegen een beschikking van de Rechtbank Den Haag betreffende beslaglegging op dossiers die onder de Inspectie voor de Gezondheidszorg vielen. De klager, een voormalig arts verbonden aan de Haagse CityKliniek, stelde dat een deel van de inbeslaggenomen stukken viel onder het afgeleide verschoningsrecht van de Inspectie.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld aan de hand van de conclusies van de Advocaat-Generaal, die tot verwerping van het beroep adviseerde. Het eerste middel werd zonder nadere motivering verworpen omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep.
Het tweede middel klaagde over het oordeel van de Rechtbank dat een deel van de stukken niet viel onder het verschoningsrecht. De Hoge Raad volgde de motivering van de Advocaat-Generaal en verwierp ook dit middel, waarmee het beroep in cassatie werd afgewezen.
De uitspraak bevestigt dat het afgeleide verschoningsrecht van de Inspectie niet zonder meer geldt voor alle inbeslaggenomen stukken en dat de Rechtbank hier terecht een afweging heeft gemaakt. De beschikking van 16 juli 2013 blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beslaglegging op dossiers onder de Inspectie voor de Gezondheidszorg.