Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Slotsom
6.Beslissing
23 juni 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor heling van diverse goederen, waaronder CV-ketels en een graafmachine, die afkomstig waren van diefstal en oplichting. De goederen werden aangetroffen in een loods die eigendom was van de verdachte. Het hof oordeelde dat de verdachte wist dat de goederen van misdrijf afkomstig waren en verwierp zijn stelling dat de goederen toebehoorden aan een niet-bestaande huurder.
In cassatie stelde de verdachte onder meer een falende bewijsklacht voor. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht tot bewezenverklaring was gekomen, gelet op de omvang van de goederen, de aanwezigheid van bedrijfsstickers, het ontbreken van serienummer op de graafmachine en het ontbreken van legale bewijsstukken. Tevens werd geoordeeld dat de verklaring van de verdachte over een vermeende huurder ongeloofwaardig was.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. Dit leidde tot een strafvermindering van zes maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De overige middelen werden verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en bepaalde een lagere straf.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot vijf maanden en drie weken, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.