Belanghebbende, een besloten vennootschap, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 december 2011, waarin het hof het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Haarlem afwees. De zaak betrof een uitnodiging tot betaling van douanerechten.
De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en reageerde schriftelijk op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juli 2014, dat relevant was voor de zaak. De Hoge Raad liet deze reactie echter buiten beschouwing omdat deze na de gestelde termijn was ingediend.
De Hoge Raad oordeelde dat het ingebrachte middel niet tot cassatie kon leiden en dat het niet noodzakelijk was om het middel nader te motiveren, aangezien het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen in de procedure.