Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
7 juli 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen verdachte, geboren in 1986, heeft de Hoge Raad het cassatieberoep behandeld tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het beroep in cassatie was ingesteld door verdachte, vertegenwoordigd door mr. G. Spong.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het beroep instelde klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken op 7 juli 2015 door de strafkamer van de Hoge Raad, onder voorzitterschap van vice-president A.J.A. van Dorst, met raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard.