Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
7 juli 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het bewijs dat verdachte zich met geweld verzette tegen opsporingsambtenaren, waaronder het toebrengen van lichamelijk letsel aan een hoofdagent, voldoende was gebaseerd op de verklaringen van de betrokken verbalisanten. De verdediging voerde aan dat deze verklaringen niet betrouwbaar waren vanwege hun emotionele betrokkenheid, een lopende beklagprocedure en het feit dat één van hen aangifte had gedaan.
Het hof oordeelde dat het bewijs niet uitsluitend op deze verklaringen rustte, maar ook op andere objectieve bewijsmiddelen in het dossier. Tevens stelde het hof dat artikel 344, tweede lid, Sv geen uitzondering maakt voor feiten gepleegd tegen opsporingsambtenaren zelf en dat het vertrouwen in de betrouwbaarheid van het proces-verbaal gerechtvaardigd was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het aan de rechter is om te bepalen welke bewijsmiddelen hij betrouwbaar acht, zonder dat hij zijn keuze hoeft te motiveren, behalve wanneer hij afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging. Het hof had voldoende gemotiveerd waarom het het standpunt van de verdediging niet volgde. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van het verzet tegen opsporingsambtenaren met geweld.