Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het vierde middel
3.Beoordeling van het tweede en het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
7 juli 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een overval op 24 mei 2011 in Driebergen-Rijsenburg. Verdachte werd medepleger of medeplichtige geacht bij een poging tot diefstal met geweld en bedreiging, waarbij kraaienpoten als hulpmiddel werden gebruikt. DNA-sporen van verdachte werden aangetroffen op de kraaienpoten.
De verdediging voerde aan dat het DNA op de kraaienpoten op een andere wijze kon zijn terechtgekomen, namelijk via contacten met de CIE (Criminele Inlichtingen Eenheid). Verzoeken om getuigen van de CIE-runners te horen en om tapgesprekken ter terechtzitting te beluisteren werden door het hof afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en niet-necessiteit.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet zonder meer begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom het horen van de CIE-runners en het beluisteren van de tapgesprekken niet noodzakelijk zou zijn. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het beslissingen betreft over het onder 3 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging, en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Arrest vernietigd voor zover beslissingen over betrokkenheid en strafoplegging, zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting.