In deze zaak staat de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen de man en de vrouw centraal. De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken en beschikkingen van het gerechtshof Den Haag, waarin de omvang en waardering van de gemeenschap zijn vastgesteld met peildatum 1 januari 2004.
De man stelde cassatieberoep in tegen meerdere beschikkingen van het hof, terwijl de vrouw incidenteel cassatieberoep instelde. De Hoge Raad beoordeelde de klachten over het niet betrekken van bepaalde schulden van de man bij de verdeling, en over de onjuiste verrekening van rente en premies op een levensverzekeringspolis.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de inkomstenbelasting en WAZ-schulden van de man niet had betrokken, en dat het rentebedrag dat de vrouw toekomt niet was toegekend. Tevens was de verrekening van premies op de polis niet in overeenstemming met de peildatum van de huwelijksgoederengemeenschap. De Hoge Raad vernietigde het hofvonnis voor zover het de betaling van €4.497 betrof en veroordeelde de man tot betaling van €6.980, vermeerderd met wettelijke rente.