ECLI:NL:HR:2015:1828

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2015
Publicatiedatum
9 juli 2015
Zaaknummer
13/01277
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake anti-dumpingrechten

Belanghebbende, een besloten vennootschap, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 februari 2013, waarin een geschil over een uitnodiging tot betaling van anti-dumpingrechten werd behandeld. De zaak betrof een hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Haarlem.

De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en reageerde schriftelijk op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juli 2014, dat relevant was voor de zaak. De Hoge Raad beoordeelde het cassatiemiddel en oordeelde dat dit niet tot cassatie kon leiden, mede op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad vond geen aanleiding tot nadere motivering omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit op 10 juli 2015.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof blijft in stand.

Uitspraak

10 juli 2015
Nr. 13/01277
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 14 februari 2013, nr. 11/00595, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Minister van Economische Zaken tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 09/3907) betreffende een uitnodiging tot betaling van anti-dumpingrechten.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juli 2014, gevoegde zaken Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., C‑129/13 en C‑130/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 26 juni 2015, nr. 10/02774bis, ECLI:NL:HR:2015:1666, onderdeel 2.2).

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2015.