De zaak betreft een verzoek van de officier van justitie om een voorlopige machtiging te verkrijgen voor opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).
De psychiater die de geneeskundige verklaring opstelde, had betrokkene driemaal schriftelijk uitgenodigd voor een persoonlijk onderzoek, maar betrokkene werkte niet mee en verscheen niet. Vanwege een onveilige thuissituatie werd besloten geen huisbezoek af te leggen. De rechtbank Den Haag verleende de voorlopige machtiging, stellende dat de psychiater had gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht.
Betrokkene stelde in cassatie dat het ontbreken van een persoonlijk onderzoek door de psychiater de machtiging onrechtmatig maakte. De Hoge Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak persoonlijk onderzoek vereist is, maar dat bij weigering van betrokkene om mee te werken de psychiater moet doen wat redelijkerwijs mogelijk is om het onderzoek te verrichten.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de psychiater voldoende pogingen had gedaan en dat het ontbreken van persoonlijk contact niet tot vernietiging van de beschikking leidt. Het beroep werd verworpen.