Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
30 januari 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de officier van justitie een verzoek ingediend voor een voorwaardelijke machtiging op grond van artikel 14a van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) ten aanzien van betrokkene. De rechtbank Amsterdam verleende de machtiging bij beschikking van 21 juli 2014, ondanks dat betrokkene niet bij de zitting aanwezig was.
De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van de advocaat en de persoonlijk begeleidster van betrokkene, en op de oproepingsbrief. Zij concludeerde dat betrokkene op de hoogte was van de zitting maar ervoor koos niet te verschijnen, waardoor de zitting buiten aanwezigheid kon plaatsvinden.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen, terwijl artikel 8 lid 1 Wet Pro Bopz vereist dat de rechter de betrokkene hoort tenzij vaststaat dat deze niet bereid is. De advocaat had immers verklaard dat betrokkene de rechter wel wilde spreken. Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling.
De Hoge Raad benadrukt het grote belang dat moet worden gehecht aan het horen van de betrokkene bij beslissingen die zijn vrijheid kunnen beperken, en stelt dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van betrokkene om zich te laten horen strikt moet worden nageleefd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam wegens onvoldoende motivering niet-horen betrokkene.