ECLI:NL:HR:2015:194

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2015
Publicatiedatum
3 februari 2015
Zaaknummer
14/03259
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 322 SvArt. 434 SvArt. 415 SvArt. 440 SvArt. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken instemming hervatting onderzoek bij gewijzigde samenstelling

In deze strafzaak is het cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De klacht betreft de niet-naleving van artikel 322, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat voorschrijft dat bij een gewijzigde samenstelling van het hof het onderzoek opnieuw moet worden aangevangen, tenzij officier van justitie en verdachte instemmen met voortzetting in de oude stand.

Het hof had het onderzoek hervat in de stand van de schorsing, terwijl de samenstelling was gewijzigd en er geen instemming van verdachte en officier van justitie was. De Hoge Raad stelt dat deze instemming niet is gegeven en dat het hof het onderzoek opnieuw had moeten aanvangen. Echter, de Hoge Raad oordeelt dat de verdachte niet heeft aangegeven dat hij een in rechte te respecteren belang heeft bij het vereiste van herhaling.

De verdediging stelde dat het verzuim ertoe leidt dat de verklaring van verdachte ten onrechte als bewijs is gebruikt, maar dit belang wordt niet erkend. De verdachte en zijn raadsman hadden bovendien de gelegenheid om zich uit te laten over het onderzoek zoals dat op de schorsingsdatum had plaatsgevonden. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een in rechte te respecteren belang bij vernietiging.

Uitspraak

3 februari 2015
Strafkamer
nr. 14/03259
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 27 juni 2013, nummer 24/000952-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1979.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.
Het eerste middel behelst de klacht dat bij de behandeling van de zaak in hoger beroep het in art. 322, derde lid, Sv gegeven voorschrift niet is nageleefd.
2.2.
De op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden, voor zover hier van belang, het volgende in.
(i) In hoger beroep hebben terechtzittingen plaatsgevonden op 24 mei 2012, 13 augustus 2012, 27 september 2012, 31 januari 2013 en 13 juni 2013.
(ii) Ter terechtzitting van 27 september 2012 is de zaak inhoudelijk behandeld. Op deze terechtzitting was het Hof samengesteld uit mrs. Tebbenhoff Rijnenberg, Foppen en Rietveld.
(iii) Ter terechtzitting 13 juni 2013 is de inhoudelijke behandeling van de zaak voortgezet. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in dat het onderzoek ter terechtzitting is hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing daarvan op 27 september 2012 bevond. Op deze terechtzitting was het Hof samengesteld uit mrs. Tebbenhoff Rijnenberg, Foppen en Hofstra.
2.3.
Art. 322, derde lid, Sv - dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is - luidt:
"De rechtbank beveelt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in het geval de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting gewijzigd is, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van schorsing bevond."
2.4.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2013 houdt niet in dat de Advocaat-Generaal bij het Hof en de verdachte hebben ingestemd met hervatting van het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin zich dat bevond ten tijde van de schorsing daarvan op 27 september 2012. Het moet er daarom in cassatie voor worden gehouden dat die instemming niet is gegeven. Bij die stand van zaken had het Hof het onderzoek ter terechtzitting opnieuw moeten aanvangen. Blijkens het voormelde proces-verbaal heeft het Hof dat evenwel niet gedaan. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
2.5.
Art. 322, derde lid, Sv strekt er blijkens de wetsgeschiedenis toe te garanderen dat "het vereiste van de herhaling, indien en voor zover dat door de verdachte als een zijn rechten beschermend vereiste wordt beleefd" in stand blijft. Art. 322, derde lid, Sv biedt de verdediging daarom de mogelijkheid - indien zij meent dat dit in de gegeven omstandigheden in haar belang is - haar instemming te onthouden aan voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting in een gewijzigde samenstelling, en aldus het onderzoek ter terechtzitting opnieuw te laten aanvangen. Hieruit volgt dat de naleving van het voorschrift dat bij een gewijzigde samenstelling het onderzoek opnieuw moet worden aangevangen, afhankelijk is van het belang dat de verdediging daaraan in een concreet geval hecht. Tegen die achtergrond en gelet op HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.6.2 brengt het voorgaande mee dat in cassatie aan een schriftuur waarin wordt geklaagd over de niet-naleving van het in die bepaling gegeven voorschrift, de eis moet worden gesteld dat wordt aangegeven in welk in rechte te respecteren belang de verdachte door die niet-naleving is getroffen. (Vgl. HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:180, NJ 2014/289.)
2.6.
Het in de schriftuur aangevoerde belang - kort gezegd dat voornoemd verzuim meebrengt dat het Hof ten onrechte de door de verdachte ter terechtzitting van 27 september 2012 afgelegde verklaring tot het bewijs heeft gebezigd - brengt niet mee dat de verdachte een in rechte te respecteren belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak en hernieuwde behandeling van de zaak. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat (i) het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2013 niet inhoudt dat door of namens de verdachte is aangevoerd dat de verdachte belang hechtte aan het "vereiste van herhaling" met betrekking tot het onderzoek ter terechtzitting zoals dat op 27 september 2012 had plaatsgevonden, (ii) de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting van 13 juni 2013 in de gelegenheid zijn geweest zich uit te laten over het onderzoek ter terechtzitting zoals dat op 27 september 2012 had plaatsgevonden, en (iii) het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting op 13 juni 2013 niet zou hebben meegebracht dat het proces-verbaal houdende de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 september 2012 niet tot het bewijs had kunnen worden gebezigd. De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie en wat betreft het tweede middel HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.2.4 - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 februari 2015.