Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Slotsom
6.Beslissing
3 februari 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof bewezenverklaard van witwassen van geldbedragen en het verhullen van motoren die afkomstig waren uit misdrijf in de periode januari tot september 2008. Het hof baseerde zich op diverse bewijsmiddelen, waaronder processen-verbaal van doorzoekingen en verhoren, verkoopattesten van motorfietsen, en verklaringen van getuigen en de verdachte zelf.
Het hof oordeelde dat de motorfietsen eigendom waren van de verdachte, ondanks diens ontkenningen, omdat de motoren op zijn naam stonden, aankoopbonnen in de woning van zijn moeder werden gevonden, en hij de sleutels en zeggenschap over de motoren had. Gezien het ontbreken van legale inkomsten achtte het hof de motoren en gelden afkomstig uit misdrijf en stelde vast dat de verdachte de vindplaatsen van twee motoren had verhuld door deze in een afgesloten tuin van derden te plaatsen.
De Hoge Raad verwierp het middel dat klaagde over onvoldoende motivering van de bewezenverklaring. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de cassatiefase meer dan twee jaar duurde. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 98 naar 91 dagen.
De overige middelen werden verworpen omdat zij niet leidden tot cassatie. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor de strafduur en beperkte de straf met 7 dagen, het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 91 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn, beroep voor het overige verworpen.