AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling navorderingsaanslag en zorgvuldigheidsbeginsel bij belastingheffing
Belanghebbende had een Zwitserse bankrekening niet opgegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2006. Na vrijwillige verbetering van zijn buitenlandse vermogen legde de inspecteur op 16 april 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV op. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde deze aanslag en wees het beroep van belanghebbende af.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de aanslag vernietigd moest worden omdat de inspecteur niet binnen een redelijke termijn had gehandeld, wat volgens hem het zorgvuldigheidsbeginsel schond. De Hoge Raad overwoog dat de navorderingsaanslag binnen de wettelijk gestelde termijn van vijf jaar was opgelegd en dat noch de tekst noch de geschiedenis van artikel 16 lid 3 AWRPro een sanctie van verval van bevoegdheid bij onvoldoende voortvarendheid van de inspecteur rechtvaardigt.
De Hoge Raad concludeerde dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet leidt tot verval van de navorderingsbevoegdheid in deze situatie. Het cassatieberoep faalt en wordt ongegrond verklaard. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag blijft in stand.
Uitspraak
14 augustus 2015
nr. 14/02491
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X]te [Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwardenvan 25 maart 2014, nr. 13/00267, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost‑Nederland (nr. AWB 12/1315) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2006 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. A.M.E. Nuyens en mr. R.W.J. Kerkchoffs.
2.Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft een bankrekening in Zwitserland aangehouden, waarvan hij geen opgaaf heeft gedaan in zijn aangifte IB/PVV 2006.
2.1.2.
Belanghebbende heeft een ‘Verklaring vrijwillige verbetering buitenlands vermogen’ ingezonden. De fiscale consequenties van deze inkeer zijn neergelegd in een rapport dat de Inspecteur op 23 november 2009 heeft ontvangen.
2.1.3.
De navorderingsaanslag IB/PVV 2006 is met dagtekening 16 april 2011 opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is tot vernietiging van de navorderingsaanslag wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tegen dit oordeel richt zich het middel met het betoog dat een inspecteur op grond van nationaal (ongeschreven) recht een aanslag binnen een redelijke termijn dient op te leggen op straffe van vernietiging van die aanslag.
2.3.
De onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd binnen de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 16, lid 3, AWR. Uit de tekst noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling is af te leiden dat in een geval waarin de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt binnen de daarin gestelde termijn, maar niet zo voortvarend als mogelijk is, dit tot verval van de navorderingsbevoegdheid leidt. Het zorgvuldigheidbeginsel leidt evenmin tot die gevolgtrekking. Het middel faalt derhalve.
3.Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2015.