Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
1 september 2014.
Hoge Raad
Op 1 september 2015 heeft de Hoge Raad der Nederlanden het cassatieberoep behandeld dat was ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 mei 2014. De advocaat van verdachte heeft middelen van cassatie ingediend, die door de Advocaat-Generaal zijn bestreden met een conclusie tot verwerping.
De Hoge Raad heeft de middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Daarbij is overwogen dat, gelet op artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de jurisprudentie van de Hoge Raad van 9 juni 2015, geen nadere motivering nodig is omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling nopen.
Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad, W.A.M. van Schendel, als voorzitter, samen met raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan. Het beroep is formeel verworpen en daarmee blijft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam ongewijzigd in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.