Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beoordeling van het vierde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
1 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof Den Haag veroordeeld voor meerdere woninginbraken, waaronder twee feiten waarbij hij zich toegang verschafte tot woningen en waardevolle goederen wegnam. In hoger beroep had de verdachte een duidelijke bekentenis afgelegd, maar zijn raadsvrouwe pleitte vrijspraak voor twee feiten op basis van onvoldoende bewijs.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte volstond met een opgave van bewijsmiddelen zonder nadere motivering, terwijl art. 359, derde lid, Sv dat niet toestaat als namens de verdachte vrijspraak is bepleit. Desondanks leidde dit gebrek niet tot vernietiging wegens het ontbreken van voldoende belang van de verdachte, die immers bekentenissen had afgelegd.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden in de cassatiefase door late aanlevering van stukken door het Hof. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 48 maanden (waarvan 16 maanden voorwaardelijk) naar 46 maanden met dezelfde voorwaardelijke periode.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en wees de zaak niet terug, maar paste zelf de straf aan. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 48 naar 46 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.