Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
8 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 mei 2014. De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld, waarna hij cassatie instelde bij de Hoge Raad. Namens de verdachte heeft mr. W.H. Jebbink middelen van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de middelen van cassatie beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, was geen nadere motivering vereist omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarmee is het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, op 8 september 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is verworpen, het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.