Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het derde middel
- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf;
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
10 februari 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake witwassen en valsheid in geschrifte met betrekking tot de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT).
Verdachte werd bewezen verklaard dat zij grote geldbedragen, afkomstig uit misdrijf, heeft verworven en omgezet, en dat zij valselijke MOT-meldingen heeft opgemaakt en opzettelijk de meldplicht heeft overtreden. Het hof oordeelde dat alleen correcte meldingen onder art. 12 Wet Pro MOT vallen en dat verdachte zich niet op deze vervolgingsuitsluitingsgrond kan beroepen.
De Hoge Raad bevestigt dat art. 12 Wet Pro MOT alleen geldt voor juiste meldingen en dat onjuiste meldingen geen vervolgingsuitsluiting geven. Het hof heeft dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk toegepast. Wel oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden, waardoor de opgelegde geldboete wordt verminderd van € 100.000 naar € 97.500.
Het beroep wordt voor het overige verworpen en het arrest van het hof wordt vernietigd alleen voor de strafmaat. De Hoge Raad spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren.
Uitkomst: Geldboete verminderd naar € 97.500 wegens overschrijding redelijke termijn, overige veroordeling bevestigd.