ECLI:NL:HR:2015:2535

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 september 2015
Publicatiedatum
11 september 2015
Zaaknummer
14/03218
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:162 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onrechtmatigheid publicatie voorzittersbeschikking Reclame Code Commissie

In deze zaak stond de vraag centraal of de publicatie van een voorzittersbeschikking van de Reclame Code Commissie onrechtmatig was jegens eiser. Eiser had in de lagere instanties een procedure gevoerd tegen de Stichting Reclame Code en was in het ongelijk gesteld. Vervolgens stelde eiser cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de kantonrechter Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam, waarin de onrechtmatigheid van de publicatie werd betwist. In cassatie heeft de Hoge Raad de klachten van eiser onderzocht en geoordeeld dat deze niet tot cassatie konden leiden. Daarbij is overwogen dat de stelplicht en bewijslast bij eiser lagen en dat hij onvoldoende heeft gesteld om de onrechtmatigheid te onderbouwen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal was eveneens gericht op verwerping van het cassatieberoep, hetgeen door de Hoge Raad is gevolgd. De Hoge Raad heeft het beroep van eiser verworpen en hem veroordeeld in de proceskosten, waarmee de uitspraak van het gerechtshof is bekrachtigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof bevestigd.

Uitspraak

11 september 2015
Eerste Kamer
14/03218
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. W. Römelingh,
t e g e n
de STICHTING RECLAME CODE,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. S.M. Kingma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Stichting.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 1367579 CV 12-22960 van de kantonrechter te Amsterdam van 5 maart 2013;
b. het arrest in de zaak 200.128.085/01 van het gerechtshof Amsterdam van 22 april 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de Stichting toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 841,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J. Wortel op
11 september 2015.