Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
11 september 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de publicatie van een voorzittersbeschikking van de Reclame Code Commissie onrechtmatig was jegens eiser. Eiser had in de lagere instanties een procedure gevoerd tegen de Stichting Reclame Code en was in het ongelijk gesteld. Vervolgens stelde eiser cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de kantonrechter Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam, waarin de onrechtmatigheid van de publicatie werd betwist. In cassatie heeft de Hoge Raad de klachten van eiser onderzocht en geoordeeld dat deze niet tot cassatie konden leiden. Daarbij is overwogen dat de stelplicht en bewijslast bij eiser lagen en dat hij onvoldoende heeft gesteld om de onrechtmatigheid te onderbouwen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was eveneens gericht op verwerping van het cassatieberoep, hetgeen door de Hoge Raad is gevolgd. De Hoge Raad heeft het beroep van eiser verworpen en hem veroordeeld in de proceskosten, waarmee de uitspraak van het gerechtshof is bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof bevestigd.