ECLI:NL:HR:2015:2667

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 september 2015
Publicatiedatum
17 september 2015
Zaaknummer
11/05307
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29f Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad veroordeelt Staatssecretaris in proceskosten cassatie omzetbelasting

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Haarlem over de omzetbelasting voor het tijdvak van 1 tot en met 31 december 2008. De Staatssecretaris van Financiën trok het cassatieberoep tegen deze uitspraak in. Vervolgens verzocht belanghebbende de Hoge Raad om de Staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die zij had moeten maken voor de behandeling van het cassatieberoep, het bezwaar en het beroep bij de Rechtbank, tot een bedrag van €4165.

De Staatssecretaris erkende een vergoeding voor de kosten van het cassatieberoep, maar niet voor de kosten van het bezwaar en het beroep bij de Rechtbank. De Hoge Raad oordeelde dat alleen de kosten die redelijkerwijs zijn gemaakt voor het cassatieberoep in aanmerking komen voor vergoeding, omdat artikel 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zich niet uitstrekt tot kosten waarvoor al een vergoeding is toegekend of waarover al een beslissing kon worden verkregen.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris daarom tot betaling van €6247,50 aan proceskosten voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het cassatieberoep. Dit arrest werd uitgesproken op 18 september 2015 door de vice-president Overgaauw en raadsheren Van Vliet en Punt.

Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van €6247,50 aan proceskosten voor het cassatieberoep.

Uitspraak

18 september 2015
Nr. 11/05307
Arrest
gewezen op na te melden verzoek van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende).

1.Verzoek

Na de intrekking door de Staatssecretaris van Financiën van het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 24 oktober 2011, nr. AWB 11/03122, betreffende een door belanghebbende over het tijdvak 1 december 2008 tot en met 31 december 2008 op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting, heeft belanghebbende de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie en de behandeling van het bezwaar en van het beroep bij de Rechtbank, in totaal tot een bedrag van € 4165.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij concludeert tot toekenning van een vergoeding voor de in het verzoek vermelde proceshandelingen, met uitzondering van het ter zake van het bij de Inspecteur ingediende bezwaarschrift en het bij de Rechtbank ingediende beroepschrift.

2.Beoordeling van het verzoek

2.1.
De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna in onderdeel 3 zal worden vermeld.
2.2.
Voor zover het verzoek mede ziet op in verband met het bezwaar gemaakte kosten alsmede op de proceskosten van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, komt het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking. Artikel 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waarop het verzoek is gebaseerd, strekt zich niet uit tot de kosten waarvoor de Rechtbank al een vergoeding heeft toegekend of tot kosten waarover van de Rechtbank al een beslissing kon worden verkregen.

3.Beslissing

De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 6247,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2015.