ECLI:NL:HR:2015:2674

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 september 2015
Publicatiedatum
17 september 2015
Zaaknummer
13/03330
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad veroordeelt Staatssecretaris Financiën in proceskosten na intrekking cassatie

Belanghebbende, [X] B.V., heeft het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag ingetrokken. Dit arrest betrof een beschikking op grond van artikel 15, lid 8, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Na intrekking van het beroep verzocht belanghebbende de Hoge Raad om de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen tot betaling van de proceskosten die zijn gemaakt in verband met de behandeling van het cassatieberoep, ter hoogte van €847.

De Staatssecretaris van Financiën heeft hiertegen verweer gevoerd. De Hoge Raad heeft het procesdossier en de door partijen verstrekte gegevens beoordeeld en geoordeeld dat er voldoende gronden zijn om toepassing te geven aan artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit artikel maakt het mogelijk om de proceskosten die redelijkerwijs zijn gemaakt door belanghebbende in verband met de behandeling van het cassatieberoep, toe te wijzen.

Op basis hiervan heeft de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een bedrag van €847 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is uitgesproken door de vice-president Overgaauw als voorzitter en de raadsheren Van Loon en Van Kalmthout op 18 september 2015.

Uitkomst: De Staatssecretaris van Financiën is veroordeeld tot betaling van €847 aan proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

18 september 2015
Nr. 13/03330
Arrest
gewezen op na te melden verzoek van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende).

1.Verzoek

Bij de intrekking door belanghebbende van het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 28 mei 2013, nr. BK-12/00151, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 15, lid 8, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, heeft belanghebbende de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie tot een bedrag van € 847.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het verzoek

De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, termen aanwezig om met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.

3.Beslissing

De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 847 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2015.