Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende).
Hoge Raad
Belanghebbende, [X] B.V., heeft het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag ingetrokken. Dit arrest betrof een beschikking op grond van artikel 15, lid 8, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Na intrekking van het beroep verzocht belanghebbende de Hoge Raad om de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen tot betaling van de proceskosten die zijn gemaakt in verband met de behandeling van het cassatieberoep, ter hoogte van €847.
De Staatssecretaris van Financiën heeft hiertegen verweer gevoerd. De Hoge Raad heeft het procesdossier en de door partijen verstrekte gegevens beoordeeld en geoordeeld dat er voldoende gronden zijn om toepassing te geven aan artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit artikel maakt het mogelijk om de proceskosten die redelijkerwijs zijn gemaakt door belanghebbende in verband met de behandeling van het cassatieberoep, toe te wijzen.
Op basis hiervan heeft de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een bedrag van €847 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is uitgesproken door de vice-president Overgaauw als voorzitter en de raadsheren Van Loon en Van Kalmthout op 18 september 2015.
Uitkomst: De Staatssecretaris van Financiën is veroordeeld tot betaling van €847 aan proceskosten aan belanghebbende.