Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 februari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten aan het Koninkrijk der Nederlanden, waarbij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar verklaarde. Het hof baseerde dit onder meer op vermeende onrechtmatigheden in de bewijsgaring door Amerikaanse autoriteiten, zoals het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden zonder lokale betrokkenheid en het ontbreken van proces-verbaal.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft meegewogen dat de bewijsmiddelen via een mogelijk proces in de Verenigde Staten gebruikt zouden kunnen worden, terwijl aan de rechter die over de toelaatbaarheid van uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring in de verzoekende staat. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie (HR 10 juli 2001).
Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest en wijst de zaak terug aan het hof om opnieuw te beslissen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, zonder de onjuiste beoordeling van de bewijsmiddelen mee te nemen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de uitlevering.