ECLI:NL:HR:2015:275

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2015
Publicatiedatum
12 februari 2015
Zaaknummer
13/02240
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieAlgemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting

Belanghebbende uit Duitsland stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2013. Dit arrest betrof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Arnhem inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1995 en 1996, navorderingsaanslagen vermogensbelasting over 1996 en 1997, en de daarbij behorende beschikkingen over verhogingen en heffingsrente.

De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens achtte de Hoge Raad geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2015. Hiermee blijft het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in stand en wordt het cassatieberoep van belanghebbende verworpen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.

Uitspraak

13 februari 2015
Nr. 13/02240
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z], Duitsland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwardenvan 26 maart 2013, nrs. 12/00530, 12/00531, 12/00532 en 12/00533, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nrs. AWB 09/21, AWB 09/23, AWB 09/1451 en AWB 09/1452) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1995 en 1996 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de over de jaren 1996 en 1997 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB), de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. M. Hendriks, advocaat te Nijmegen.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2015.